Vul een subtitel in

De Landelijke Organisatie (LO) en de (L)KP

De landelijke Organisatie (LO), was de grootste landelijke organisatie gericht op de hulp aan onderduikers. Zij richtte zich voornamelijk op het verkrijgen en verspreiden van onderduikadressen en papieren die onderduikers en hun helpers nodig hadden om onder te kunnen duiken. Distributiebonnen en valse persoonsbewijzen waren van groot belang voor een geslaagde onderduik.

Omdat niet altijd op "legale" wijze of door falsificatie aan distributiebescheiden en persoonsbewijzen te komen was, werden de zogenaamde "knokploegen" (KP) opgericht. De leden van de KP voerden als er geen andere mogelijkheid was overvallen uit op bijvoorbeeld distributiekantoren om bonnen binnen te halen. Er werd ook wel eens een overval op een gemeentehuis gepleegd om blanco persoonsbewijzen te bemachtigen. De KP trad ook op als de "sterke arm" van de LO en moest zodoende ook wel eens een verrader of een lastige onderduiker liquideren.
De verschillende KP'en gingen veelal op in de Landelijke Knokploegen (LKP) . Na de invasie van 1944 werden de verbindingen met Engeland beter en werd de LKP meer ingezet voor sabotagewerk, wapendroppings en vervoer en opslag van wapens, onder leiding van de geheime dienst Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO). Dit was de geheime dienst die hier ten behoeve van de ondergrondse wapens, instructeurs en agenten per parachute dropte.
In september 1944 werd de LKP bevolen op te gaan in de Binnenlandse Strijdkrachten. 


LO en de LKP in Dordrecht en haar grondlegger Sytze Roelof Beinema

Hij wordt beschouwd als de grondlegger van het verzet in Dordrecht: Sytze Roelof Beinema.

Beinema is 8 mei 1894 geboren in Haarlem. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werkte hij als hoofdopzichter bij het G.E.B, het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf in Dordrecht.

De schrijver en onderwijzer Kors van Loon wijdt in het begin van zijn boek Verzet in en om Dordt meerdere pagina's aan Beinema.

Volgens van Loon is er iemand bij Beinema gekomen om te vragen of Beinema bereid was om geld in te zamelen voor achtergebleven zeemansgezinnen, de zogenaamde Zeemanspot.

Zeelieden die buiten Nederland waren bij het uitbreken van de oorlog, keerden niet terug naar hun thuishaven. In oktober 1941 verbood de Duitse bezetter de rederijen om nog langer salaris uit te betalen aan de betrokken zeemansgezinnen, waardoor deze gezinnen onaanvaardbaar zwaar werden gekort. In verschillende plaatsen in het land kwamen comités bijeen die een steentje bij wilden dragen, waaronder de Zeemanspot.

Er kwamen nog veel meer hulpbehoevenden, onder andere militairen en personen die opgeroepen waren om in Duitsland te werken. Beinema kwam in contact met de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Beinema werd in 1943 leider van het district Dordrecht. Vele mensen zijn geholpen met bonkaarten, geld of een onderduikplaats.

Op 17 april 1944 werden Sytze en Henk Beinema en enkele anderen geheel onverwacht door verraad gearresteerd. Gemeentepolitie, Landwachters en de Feldgendarmerie omsingelden Beinema's woning aan de Singel 104c.

Na veel zoeken wordt er uiteindelijk achter een luik in de kelder erg veel bewijsmateriaal gevonden. Het waren spullen die er eigenlijk helemaal niet thuishoorden, maar altijd in de kluis van het GEB werden bewaard zoals dit gebruikelijk was. Dit was namelijk veiliger voor iedereen in de groep. Het is nog altijd niet duidelijk waarom die spullen daar lagen.

Het politieonderzoek werd te groot voor de politiemannen en de Feldgendarmerie. Om die reden waarschuwde de Feldgendarmerie de Sicherheitspolizei in Rotterdam.

Spoedig na zijn arrestatie werd Beinema overgebracht naar het Rotterdamse hoofdbureau van politie aan het Haagsche Veer. Na eerst in kamp Amersfoort te verblijven, ging Beinema naar kamp Vught, daar is Sytze Beinema op 11 augustus 1944 omgebracht door een vuurpeloton.Sytze Roelof Beinema werd slechts 50 jaar.

Toen er in 1980 een actie op gang kwam op het boek van Van Loon te herdrukken, schreef G.J. de Vries het boekje: De Balans van Verzet in en om Dordt. In dat boekje probeert De Vries aan te tonen dat het tijdschema in het rapport betreffende de arrestatie van Beinema niet klopt en dat er sprake is van verraad. Ook de kwalijke rol van politieman Harry Evers bij de arrestatie van Beinema wordt in het boekje aangekaart door de Vries.

Kors Van Loon schrijft als medeauteur in "Het grote gebod", gedenkboek van de LO-LKP uit 1951 (dl.1 blz.284), dat de arrestatie van Beinema een actie was van de Landwacht en dat een van de gearresteerden van het zangkoor meteen vertelde van wie hij zijn bonkaarten kreeg. Dit is grotendeels onjuist en hij moet hier van op de hoogte zijn geweest aangezien zijn vriend, de oorlogsmisdadiger en politieman Harry Evers, tijdens het verschijnen van dit boek reeds was veroordeeld voor oorlogsmisdaden. Op 9 maart 1950 gaf de officier van Justitie, Jhr.Mr.H.J.Verspeijk in zijn requisitoir, voor het Bijzonder Gerechtshof te kennen dat Evers in het drama Beinema een ellendige rol had gespeeld. Ook deelde de Officier mee dat de arrestatie van Beinema voor een belangrijk deel aan de werkzaamheden van de verdachte te wijten was. Kors van Loon legde in de rechtszaken tegen Evers gunstige verklaringen voor hem af.

G.J.De Vries wilde er met zijn boekje ook op wijzen dat van Loon, met het ongewijzigd uitgeven van het boek, tegen beter weten in een veroordeelde oorlogsmisdadiger bleef verdedigen. Van Loon bleef SD agent Evers echter als verzetsheld presenteren en weigerde ieder commentaar.

Nader onderzoek wijst uit dat de Vries de juiste feiten weergeeft en niet Kors van Loon, die overigens een boezemvriend was van Harry Evers. Kors van loon liet zijn wegens oorlogsmisdaden veroordeelde vriend niet vallen.

Bronnen: zie verder

Copyright M.Leentvaar (2012)

De arrestatie van Sytze en Henk Beinema.

J.de Bruijn, NSB- afdelingscommandant van de hulplandwacht, kwam met het verhaal bij Evers en Den Breejen dat hij een tip had ontvangen dat er bij de zangvereniging "Ons Koor" onderduikers zouden zijn die iets zouden weten over de overval op het G.E.B.-kantoor aan de Noordendijk.

Daar was op 6 april 1944 een overval door de Dordtse KP gepleegd. Het was een schijnoverval. De KP Dordt onder leiding van Bob de Vries, zelf een medewerker van het G.E.B, had in overleg met de gewestelijke KP-leider (dhr.Valstar) tot de overval besloten om te proberen de landwacht bewaking van gebouwen op te dringen.

De landwacht begon een groot gevaar te worden voor het verzet, omdat deze gewapende NSB'ers een fanatieke controle op burgers hielden op alle toegangswegen en bruggen.

De koeriersters die met illegale blaadjes, bonnen en brieven op pad werden gestuurd, liepen hierdoor extra risico. Ondanks het succes van de schijnoverval mislukte deze poging, want de bewaking van gebouwen bleef opgedragen aan de Duitse weermacht.

De inval

Evers schakelde de groepscommandant van de Landwacht, Nico van Dalen in en deze besloot om de inval op de wekelijkse repetitieavond te doen. Op maandag 17 april werd 's avonds om 21.30 uur het gebouw aan de voor- en achterkant afgezet door de Feldgendarmerie en de landwachtcommandanten De Bruyn en Van Dalen. De agenten van de Politieke Politie, Evers en Den Breejen, traden binnen.

Alle 26 mannelijke aanwezigen werden gelast mee te gaan naar het Hoofdbureau van Politie aan de Groenmarkt. Daar werden zij stuk voor stuk gecontroleerd. 6 van hen bleken niet over de juiste legitimatie te beschikken. 3 van hen, Van der Plaats, W.H. Sandifort en J. van de Hulst, worden op verzoek van Evers en Den Breejen ingesloten en ter beschikking gesteld van de SD in Rotterdam.

Van Arie Peters uit het Warmoezierspad blijkt, volgens Evers, het zegeltje vals te zijn.

Peters wordt overgebracht naar het Boardinghouse aan de Singel, vlak bij de Hoogt en aan een verhoor onderworpen. Uiteindelijk bekend hij al twee jaar te zijn ondergedoken bij zijn ouders. Op zijn persoonsbewijs had hij het zegeltje van zijn moeder geplakt. Hierop wordt zijn moeder gearresteerd, zijn vader komt ook mee. Evers en Den Breejen ruiken bloed. Een onderduiker heeft bonnen nodig om te eten en zich te kleden. Onder de druk van het verhoor noemt Peters Sr. de naam van de man die voor de bonnen zorgt: Piet Lijten. Peters Sr. kende de familie Lijten, hij werkte bij de Nederlandse Spoorwegen en de vader van Piet Lijten was een gepensioneerde spoorwegbeambte.

Peters Sr. noemt dan wel de naam van Lijten, een adres weet hij echter niet. Hij weet slechts dat de personeelsgegevens van het spoorwegpersoneel zich in een kluis op het station bevinden, maar in verband met het late uur veilig zijn opgeborgen.

Van Dalen spoedt zich naar het station, maar daar konden ze ook geen adres vinden. Wel wist iemand te vertellen dat de familie Lijten op de Groenendijk had gewoond, doch inmiddels verhuisd waren.

Van Dalen besluit 's nachts om 02.00 uur met Evers naar het Bureau van Bevolking aan het Beverwijcksplein te gaan om het adres op te sporen. Al snel wordt het gevonden: Heinsiusstraat 11. Van Dalen, Evers en iemand van de Feldgendarmerie arresteren de 30 jarige zoon Piet. Deze ontkent ook maar iets met de zaak te maken te hebben. Hij wordt meegenomen en geconfronteerd met de ouders van Arie Peters. Deze herkennen hem als de man die hun van bonnen voorziet, doch Piet Lijten blijft ontkennen.

De ouders van Arie Peters worden naar huis gestuurd en Piet Lijten wordt aan een streng verhoor onderworpen door luitenant Kynast van de Feldgendarmerie en Evers.

Lijten houdt 7 kwartier stand, beide ondervragers dreigen zijn zuster en moeder te arresteren als hij niet bekend.

Hij wordt mishandeld en zijn stropdas wordt tot wurgens toe aangetrokken en laat los dat de naam van de baas van het verzet met een B begint. Evers pakt het telefoonboek van Dordrecht, slaat het open bij de B en vraagt aan Piet, "Nou, wie is het, Bakker of Beinema"?

Piet Lijten was een naaste medewerker van Bob de Vries die in nauw contact stond met Beinema. Via De Vries kreeg Lijten de bonnen voor Arie Peters en wist van De Vries dat Beinema de grote man in het verzet was. Aarzelend noemde Piet Lijten de naam Beinema.

Uit veiligheidsoverwegingen werden zijn illegale bescheiden bij de buren ondergebracht en hij ging er van uit dat dat bij Beinema ook het geval was.

Luitenant Kynast gaf onmiddellijk het bevel voor een huiszoeking bij Beinema aan de Singel 104 c.

De huiszoeking

Nico van Dalen spoed zich naar het Landwachtkwartier om manschappen op te trommelen. Op de Singel aangekomen zetten de Landwachters de voor- en achterzijde af van Beinema's woning.

Beinema had die nacht een afspraak met Bob de Vries die bij een door zijn K.P. gedane kraak door de Duitsers gevorderde buitgemaakte radio's kwam brengen. Beinema opende dan ook niets vermoedend rond 02.30 uur de deur.

Verbaasd dat er zo snel werd opgedaan stapten twee mannen van de Feldgendarmerie naar binnen, terwijl 2 Landwachters achter door de keukendeur binnenstapten. De Feldgendarmerie werd geassisteerd door de Politieke Politie. ( Waarschijnlijk Wolsink en Vink).

Beinema werd beneden in verhoor genomen, terwijl de familieleden boven werden vastgehouden. Niemand van de familie heeft naderhand kunnen verklaren wie de ondervrager van Beinema is geweest. Het lijkt er veel op dat de ondervrager niet herkend wilde worden!

De huiszoeking levert in eerste instantie niets op. Evers adviseert nogmaals te zoeken. Ook deze ronde levert niets op, waarop Evers de Feldgendarmerie en de Landwachters wederom aanspoort de boel overhoop te halen. Om 04.30 wordt uiteindelijk bezwarend materiaal gevonden.

In een verklaring door de Commissie Gratema verklaard Evers het volgende:

" Het geval Beinema is begonnen met een inval op een zangclub, die uitgelokt was door de Landwacht. De onderduiker Peters begon bij zijn verhoor te praten over bonkaarten, die hij kreeg, met het gevolg, dat de naam Lijten naar voren kwam. Daarop werd Lijten verhoorden die noemde op een gegeven ogenblik Beinema en zei dat hij de hoofdman was. Een overval op Beinema was toen natuurlijk niet meer te voorkomen. Bij deze overval ontdekte ik in een kast wat geld en een lijst van mensen van het G.E.B., die ik controleerde. Wat mij betrof kon hiermede de huiszoeking eindigen, maar Den Breejen volgde zijn gewoonte om in de kelder te duiken en ontdekte daar een geheime bergplaats, waar hij een groot bedrag aan geld en een groot aantal bonkaarten, stempels en bezwarend materiaal aantrof.

Ik heb Beinema toen overgebracht naar het gebouw van de Politieke Politie, enige huizen verder.Daarbij heb ik hem nog even een hint gegeven, dat hij zou vluchten, maar hij heeft dat of niet begrepen, of niet willen doen, daar ook zijn zoon gepakt was. Wel heb ik kans gezien een belangrijk gedeelte van het bezwarend materiaal te verdonkeremanen en dit heb ik diezelfde middag met rentmeester Bakker doorgekeken. Op grond hiervan konden verschillende mensen worden gewaarschuwd en het belastend materiaal worden vernietigd.Achteraf heb ik mij wel eens afgevraagd, of de heer Beinema op de hoogte was van de roldie ik speelde.

Toen vervolgens enige dagen later een razzia werd gehouden om een tiental

mensen, die contact met Beinema hadden gehad op te pakken, bleken deze ondergedoken te zijn, terwijl zelfs de woning van De Vries geheel ontruimd was. Begrijpelijkerwijze vreesde ik, dat de Duitschers hieruit zouden begrijpen, dat ik een dubbele rol speelde, maar ik heb de bedreiging kunnen afwenden. Dat onderduiken was een gevolg geweest van het feit, dat ik, nadat ik het bericht had gekregen, dat de overvalwagen voor de razzia uit Rotterdam zou komen, dadelijk Bakker gewaarschuwd heb, die daarop de betrokkenen een waarschuwing gegeven heeft, hetzij direct, hetzij door bemiddeling van anderen".

(Het verhoor wordt tijdelijk onderbroken en wordt als aldus vervolgd):

" U vraagt mij nader naar de gang van zaken bij de overval op Beinema.

Nadat in het eerste gedeelte van de huiszoeking bij Beinema in de kamers geld en een personeelslijst van het G.E.B. was gevonden, zodat ik de huiszoeking als geëindigd wilde beschouwen, heb ik de Feldgendarmerie opgebeld en aan den commandant, luitenant Kynast, medegedeeld, dat wij de lijsten gevonden hadden, waarna gezocht werd en Beinema gearresteerd hadden.

Ik heb Den Breejen toen ook nog even door de telefoongesproken, maar hem zeker niet gezegd, dat hij nog moest komen. Volkomen uit eigen beweging en zonder enige noodzaak is Den Breejen toen ten huize van Beinema gekomen en in de kelder gedoken, waarbij, zoals ik U bij mijn vorig verhoor vertelde, toen de bezwarende gegevens gevonden zijn.

Evers doet met deze verklaring voorkomen of hij slechts op zoek was naar informatie over de overval op het G.E.B. kantoor en toen hij papieren met namen van het G.E.B. personeel had gevonden, de huiszoeking wilde beëindigen.

Hij geeft zijn collega Arie den Breejen de schuld van het verder zoeken, hij vertelt later dat Den Breejen uit eigen beweging naar het huis van Beinema kwam, terwijl Den Breejen voor dezelfde commissie verklaarde:

" Op een nacht in het voorjaar van 1944 ben ik opgebeld door Evers, met het verzoek onmiddellijk te komen ten huize van den heer Beinema aan de Singel 104.

Bij dit telefoongesprek deelde Evers mij mede dat in genoemd huis een huiszoeking aan de gang was en dat daarbij was gevonden een vals persoonsbewijs met het portret dat door hem was herkend, als dat van den rechercheur van politie Kraayeveld.

Ik heb mij toen onmiddellijk naar het huis van den heer Beinema begeven en trof daar Evers met enige leden van de Landwacht en enige leden van de Feldgendarmerie aan. In een kamer lagen op tafel verschillende papieren, die klaarblijkelijk bij de huiszoeking waren gevonden, waaronder een stapeltje bonkaarten. De heer Beinema was klaarblijkelijk reeds gearresteerd. Ik weet niet waar het bovengenoemde valse persoonsbewijs en de bonkaarten gevonden zijn. Kort nadat ik in het huis was gekomen werd ik door leden van deFeldgendarmerie, die in de kelder aan het zoeken waren, geroepen. Ik begaf mij naar de kelder en zag daar, dat een luik werd geopend. Dat een der Feldgendarmen zijn arm door ditluik stak en in het zand een stapel bankpapier vond. Ik weet natuurlijk niet of reeds voordien achter dit kelderluik gezocht was, maar kreeg de indruk, dat dit niet het geval was, Later iseen der Landwachters nog door het luik gekropen en heeft daar achter nog twee radiotoestellen gevonden.

Op een gegeven ogenblik ben ik met het geld, dat in de kelder gevonden was, naar het gebouw der de SD Singel 106 gegaan. Vervolgens is de SD naar het huis van Beinema gegaan en na verloop van tijd is Beinema op Singel 106 gekomen. Wie hem daar gebracht heeftweet ik niet. Op Singel 106 is Beinema door de SD verhoord en vervolgens door de SD medegenomen. De Landwachters, die bij het begin der huiszoeking tegenwoordig warenkwamen niet uit Dordrecht, met uitzondering van een zekere De Boer (is J.Boer) uit het Achterom. De enige die de foto van Kraayeveld op het persoonsbewijs zouden hebben kunnen herkennen, zijn dus Evers en De Boer ".

Vreemde dingen.

In het verslag van Landwachtcommandant, Nico van Dalen, wordt een tijdschema aangehouden dat als volgt luidt:

Om 02.00 uur gaat Van Dalen samen met Evers naar het Bureau van Bevolking om het adres van Piet Lijten te achterhalen.

Na enig zoeken - stel dat op 10 minuten - wordt het adres gevonden.

Dan naar het Boardinghouse op de Singel om iemand van de Feldgendarmerie op te pikken, dan naar de Heinsiusstraat te rijden, aanbellen, wachten tot er wordt opengedaan, controleren wie Piet Lijten is, (hij had nog een broer), Evers speelde er gauw nog even Ouwe Taaie op de piano, Piet inladen en terug naar de Singel, stel dat ook op 10 minuten, dan is het inmiddels 02.20 uur.

Het duurt 7 kwartier voor Piet Lijten gedwongen de naam Beinema noemt en het is dan inmiddels rond 04.00 uur. ( Het wachtrapport van de politie vermeldt: 04.00 uur, op verzoek van de popo (Politieke Politie) ingesloten: Petrus Leyten; Hengelo 3-10-1913 Heinsiusstraat 4

Arie Peters: 23-12-1921 Warmoezierspad 5)

Dan naar de Singel 104 b met de Landwacht en de Feldgendarmerie en het zal om en nabij 04.10 zijn geweest.

Mevrouw Beinema en haar zoon Henk verklaarde na de oorlog aan Bob de Vries dat de huiszoeking plaatsvond tussen 02.00 uur en 02.30 uur. Ze waren nog op omdat ze De Vries met de radio's verwachtten.

Deze verklaring impliceert dat de huiszoeking al aan de gang was voor Piet Lijten de naam Beinema had genoemd!

Op de avond van de 17de april zat op het toenmalige Hoofdbureau van Politie aan de Groenmarkt een lid van de Duitse Feldgendarmerie een Nederlandse krant te lezen.

Op de vraag van de dienstdoende agenten of hij Nederlands kan lezen, antwoordde hij dat hij jaren in een dorp in Limburg had gewoond en onze taal goed machtig was.

Ongevraagd deelde hij mede dat er die avond arrestaties zouden plaats vinden en dat ze op zoek waren naar 1 persoon. Als ze die hadden wisten ze alles over het verzet!

Evers had via een van zijn contacten Beinema laten tippen dat er in het Limburgse Blitterswijck, een razzia plaats zou vinden. Beinema heeft telefonisch contact zocht met een pastoor in Blitterswijck om hem voor deze razzia te waarschuwen. Echter, dat gesprek moest toentertijd worden aangevraagd bij de P.T.T., zodat Beinema's naam daar bekend werd.

Die Duitser van de Feldgendarmerie had jaren in een dorp in Limburg gewoond...!

Evers hield Arie Peters aan in verband met een vals zegeltje op zijn persoonsbewijs.

Dat was nonsens, het zegeltje was niet vals. Ook Arie den Breejen van de Politieke Politie heeft na de oorlog verklaard dat er met het zegeltje niets aan de hand was.

Evers pakt het telefoonboek van Dordrecht, slaat het open bij de B en vraagt aan Piet Lijten, "Nou, wie is het, Bakker of Beinema"?

Een uitermate vreemde vraag van Evers. Met Bakker had hij intensief contact, maar uit deze vraag blijkt dat hij heel goed wist dat Beinema de man was die gearresteerd moest worden!

Henk Beinema verklaarde na de oorlog dat het belastend materiaal om 04.30 werd gevonden.

Volgens het tijdschema van die nacht heeft Piet Lijten rond 04.00 pas de naam van Beinema genoemd. Evers moet hebben geweten dat er bij Beinema belastend materiaal in huis was.

Het is uitermate vreemd dat Piet Lijten, die de rol van Evers in de arrestatie van Beinema had kunnen verklaren, nooit door de commissie Gratema of door een officiële instantie is verhoord!

Piet Lijten werd met een stok in zijn broek overgebracht van het Boardinghouse aan de Singel, naar de politiepost aan het Oranjepark. De hem begeleidende agent die Piet vertrouwde, Lou de Leeuw, werd door hem ingelicht over de zaak en deze spoedde zich naar het huis van een medewerker van Beinema, Kors van Loon, aan de Reeweg 175. Omdat het bericht nogal verminkt overkwam, er werd slechts doorgegeven dat er arrestaties plaatsvonden en waarschijnlijk iets mis was bij Beinema, spoedde Ph. Hofstede, die nauw met Beinema samenwerkte en bij Kors van Loon inwoonde, zich naar de Boeroestraat en belde rond 06.30 uur aan bij A.Wiegand, personeelschef van het G.E.B. en behorende tot de groep van Beinema.

Hofstede vertelde dat er arrestaties in de stad plaatsvonden en dat Beinema en Bob de Vries onmiddellijk moesten worden gewaarschuwd, maar dat het bij Beinema waarschijnlijk mis zat.

Wiegand besloot eerst naar Beinema te gaan om polshoogte te nemen en vervolgens De Vries te waarschuwen.

Als smoes had hij bedacht om Beinema te verzoeken eerst naar het kantoor van het G.E.B. te komen voor een bespreking, in plaats dat Beinema rechtstreeks naar zijn werk in de Alblasserdamse Waard ging.

Als Wiegand rond 07.00 uur op de Singel arriveert, heerst daar een volmaakte rust.

Hij belt aan bij Beinema, de deur wordt geopend en hij kijkt recht in de loop van een dubbelloops jachtgeweer, vastgehouden door een landwachter die hem beveelt om binnen te komen.

Wiegand vertelt zijn verhaal en de landwachter houdt hem een half uur onder schot in de gang, waarna hij toestemming krijgt om op de trap plaats te nemen.

Daar wordt constant in de gaten gehouden door 3 aanwezige landwachters, waaronder de Dordtenaar Boer uit het Achterom.

Wiegand zag Beinema's zoon Henk in de voorkamer met iemand zitten die zich niet zichtbaar leek te willen maken. Hij hoorde boven gestommel en mevrouw Beinema kwam naar beneden met haar jongste zoon en haar vader, gevolgd door twee man in uniform die het hele gezelschap naar de suite dirigeerde.

Er wordt gebeld en een Duitse SD-officier komt samen met Harry Evers binnen.

De Duitser vraagt bars aan Wiegand wie hij is, maar voor hij kan antwoorden geeft een der landwachters antwoord. Onmiddellijk wordt Wiegand door de Duitser gefouilleerd en vervolgens ook naar de suite gebracht.

Henk Beinema zat inmiddels in een andere kamer met de reeds gearresteerde ds. Alers.

Na de oorlog legde hij de volgende verklaring af aan Bob de Vries:

Verslag van de arrestatie van S. R. Beinema, gegeven door H. Beinema.

"Op 18 april 1944 werd 's morgens om ongeveer 2.30 uur gebeld. Vader deed open en binnen kwamen: twee man Feldgendarmerie, twee man van de politieke politie en een man of drie van de Landwacht, bovendien werd aan nog twee man van de landwacht toegang verschaft via de keukendeur, deze hadden door overklimming zich in de tuin ingedrongen, om zodoende ontsnappingspogingen aan de achterzijde van het huis te verhinderen.

Vader werd bevolen zich onmiddellijk aan te kleden, waarna hij in de huiskamer verhoord werd door een lid van de Feldgendarmerie.

De huiszoeking, die direct met volle kracht ingezet was, leverde aanvankelijk slechts gering resultaat op. In een huiskamerkast werd een som geld gevonden, die volgens Vader bestemd was voor het Comité " Ereschuld en Dankbaarheid ".

Eerst om ongeveer half vijf werd de grote buit gevonden in een gat achter de kelder, waar het begraven lag. Even later werden eveneens onder het huis nog twee radiotoestellen gevonden, afkomstig van de kraak van de K.P. van Bob.

De grote buit bestond uit een flink aantal bonkaarten, de vorige avond gebracht, blanco valse Ausweisen, geld, valse stempels, zegeltjes, enz.

Bij de papieren werd o.a. gevonden een lijst met aanvragen voor zegeltjes, waarop de namen van de aanvragers, grotendeels in de voor de moffen onbegrijpelijke afkortingen vermeld stonden, benevens de aantallen zegels die gevraagd werden en de plaatsen voor welke de zegels afgestempeld moesten worden,

Enkele namen zijn door de Moffen ontcijferd, waardoor zij in staat waren meerdere arrestaties te verrichtten.

Nadat men tot de conclusie was gekomen, dat de buit zeer belangrijk was, werd onmiddellijk de S.D. in Rotterdam gewaarschuwd, terwijl een zekere Heer Schmidt zich belastte met het overbrengen van de voornaamste gegevens naar Rauter. Na de aankomst van de S.D. uit Rotterdam is Vader overgebracht naar het Bureau van de Politieke Politie, enkele huizen bij ons vandaan. Dit geschiedde omstreeks 6 uur. Tussen de middag is Vader overgebracht naar het zgn. Boardinghouse op de Singel, waar reeds een aantal arrestanten verzameld was onder de bewaking van de Grune Polizei. Onder dezelfde bewaking werden alle gevangenen om een uur of een één in een overvalwagen overgebracht naar het Bureau van de S.D. aan de Heemraadsingel in Rotterdam.

Gedurende deze rit was er ruimschoots de gelegenheid om onderling af te spreken wat men al of niet gedaan had en wat men al of niet wist; van deze gelegenheid is natuurlijk druk gebruikt gemaakt.

Aan de Heemraadsingel werden we ontvangen door Herr Hofmann, die ons duidelijk trachtte te maken, dat zwijgen liegen als sabotage beschouwd werd en de kogel tengevolge zou hebben. Na geregistreerd te zijn werden we per politie-overvalwagen naar het Haagse Veer gebracht, waarbij verschillende, o.a. Vader in cellen boven werden opgesloten en de rest in de kelder belandde.

Vader is door de S.D. verschillende malen scherp verhoord, doch voor de S.D. zonder succes. Het is onwaarschijnlijk, dat Vader gemarteld of zeer ruw behandeld zou zijn, hij heeft hier althans nooit over gesproken.

Op 25 mei is Vader getransporteerd naar Amersfoort. Moeder, die bijtijds gewaarschuwd was, was op station Maas aanwezig en mocht de reis met ons meemaken tot Utrecht.

In Amersfoort werd Vader vrij spoedig tewerkgesteld bij het Aardappelschilcommando, wat een groot geluk voor hem was, aangezien hij zeer moeilijk kon staan of lopen en nu zittend werk kon verrichtten, terwijl hij bovendien vrijgesteld was van het strafstaan enz.

Na verloop van tijd is Vader opgenomen in het N.S.F. Commando. Dank zij waarschijnlijk de algemene oorlogomstandigheden werden thans zij die ouder dan vijftig jaar waren vrijgesteld van strafstaan enz.

Hoewel de omstandigheden zeer slecht waren en Vader natuurlijk grote zorgen hebben moest voor thuis, is hij tot het einde vol vertrouwen gebleven en de grote optimist zoals allen die hem voor zijn arrestatie gekend hebben.

Hij was voor velen een steun, ook op godsdienstig gebied. Hij leidde éénmaal een geheime kerkdienst.

Op 2 augustus 1944 werd Vader bij het ochtendappél uitgeroepen voor transport naar Vught, als enige van onze groep. Ik weet niet of Vader het einde voelde naderen, aan mij heeft hij het in ieder geval niet laten merken.

Toen wij afscheid namen, waren zijn laatste woorden: "Ik ga met God, houd je maar goed".

Onder begeleiding van twee agenten werd Vader naar Vught getransporteerd, waar hij reeds op 11 augustus 1944 gefusilleerd is.

Dordrecht 30 juli 1946 w.g. H. Beinema

Bronnen:

Diverse persoonsdossiers (collectie Bureau JOT)

Verzet in en om Dordt, door Kors van Loon

De balans van verzet in en om Dordt, door G.J. de Vries

Aantekeningen uit het Nationaal Archief Den Haag

Journalen gemeentepolitie Dordrecht

Verslag commissie Gratema in dossier Evers (Bureau JOT)

M.leentvaar en Kees Robbemond

Copyright www.verzetinenomdordrecht.nl (2012)